Vandaag de dag is de ontwikkeling van een muzikale carrière niet meer wat hij ooit was of is geweest. Het traditionele muziekonderwijs op conservatoria met haar dogmatische en mijns inziens niet creatieve oefen- en studieprogramma bereidt jonge musici voor op een ongewisse muzikale toekomst. Het traditionele muziekonderwijs is in het algemeen niet creatief en bewerkstelligt een muzikale groei die er niet meer toe doet.
Zij verbindt muzikale ontwikkeling aan een curriculum – het muzikale harnas, dwangbuis zo u wilt – van ongeveer 120 jaar geleden. Pianisten, krijgen tijdens hun studie zo gratis en voor niks het “Rubinstein syndroom” cadeau. Lees in deze context als aanvulling op het “Rubinstein syndroom” de doping satire vanuit een serieuze ondertoon van pianist Simon Tedeschi. Een herkenbaar verhaal voor professionele musici alsmede conservatorium studenten over het gebruik van beta blokkers in de klassieke muziek. http://bit.ly/WndPrc
Tijdens mijn slankere en hoogstwaarschijnlijk naïeve jeugd en tijdens mijn latere studietijd heb ik mijzelf dagelijks, vrijwillig, uren lang – zonder blikjes kattenvoer als avondeten – opgesloten om piano te studeren/spelen. Met steeds de Godenzonen Rubinstein, Hofmann en Horowitz van een afstand toekijkend om zo mijn vorderingen en progressie te controleren. Hoe kon ik destijds aan hun onmogelijke verwachtingen voldoen? Voor mij achteraf bezien het muzikaal en persoonlijk tergen van een onmogelijk muzikaaltechnische referentiekader geweest. Een utopie in mijn geheugen.
Hoe zou mijn toekomst eruit gaan zien? In mijn opinie: een comfortabel leven, piano spelend op bijeenkomsten -lees bruiloften, feestjes en partijtjes- in buurthuis, bibliotheek, kerk of cultureel centrum met zo nu en dan een recital. In de dagen na mijn studietijd wilde ik ook graag mijn opgedane ervaring en mijn persoonlijk muzikale waarde delen met de jeugd als pianodocent. Vooral motiveren en inspireren vanuit het pianoklavier; dat had ik destijds voor ogen. Ook in die dagen bleven de heren Rubinstein, Horowitz en Hofmann toekijken. Vanaf een afstand als een duiveltje op mijn schouder beoordeelde de heren hoe ik het binnen mijn pianolessen in hun ogen deed. Ik kan u vertellen: het is nooit goed genoeg geweest en het kon altijd beter.
Wat ben ik toen stom geweest?
Het model voor een dergelijke muzikale carrière is gecreëerd naar het evenbeeld van het leven van de allergrootste pianogod die ik ken, Arthur Rubinstein. Hoeveel Rubinsteins zijn er vandaag de dag nog? En die dan ook nog voor publiek spelen?
Wat was het muzikale activiteitenpallet van Rubinstein? In de Engelse taal hebben ze daar een prachtige term voor: performing and recording artist. Wat heeft Rubinstein daarentegen niet gedaan? Rubinstein heeft geen muziek gecomponeerd of gedirigeerd. Hij is nooit verbonden geweest aan een conservatorium of toonaangevende universiteit. Hij heeft niet gewerkt met kinderen, vocalisten of als instrumentaal begeleider. Hij heeft geen muziek gearrangeerd. Hij heeft geenszins inhoudelijke stukken ge- of herschreven, behalve dan een autobiografie.
Rubinstein was in essentie “a one trick pony”: een aap die een kunstje leert, de Quasimodo van zijn generatie. Hij bespeelde de piano als een God, en dat was hoogstwaarschijnlijk ook wat hij het liefste deed om uiteindelijk een legende te worden en tot op de dag van vandaag de langste concerterende pianist uit de geschiedenis te zijn, hoewel zijn repertoire keuze zeer beperkt was. Niet veel Barok en Debussy, geen Mozart en Haydn; overwegend speelde Rubinstein negentiende-eeuwse romantiek met een toefje Prokofiev; geen Bartok.
Het probleem is nu dat overwegend het curriculum van conservatoria, de muziekvakopleidingen, opleiden naar het evenbeeld “Rubinstein”. Studenten zonderen zich af, spenderen uren aan repertoire en bijpassende technische instrumentale studie: het repertoire dat vele malen door “De Goden”, de onsterfelijke op mediadragers, is vastgelegd. En na maanden of zelfs jaren studie kunnen ze de geoefende/gekopieerde composities ten gehore brengen aan een handjevol mensen in het gemeenschapshuis op de hoek rechtsaf achter de plaatselijke kruidenier.
Zoals ik verteld heb: alle grote werken van de grote componisten zijn door de grootste instrumentalisten vastgelegd – het is en wordt ontzettend lastig het onderwijs op conservatoria met de daaraan verbonden muzikale carrière, maatschappelijk nog te kunnen verantwoorden op onderzoek en/of verbetering van dat repertoire. Dit conservatoria curriculum gaat en kan nooit meer pianisten opleiden met een groter inzicht dan Brendel; met een grotere virtuositeit dan Horowitz of een grotere zeggingskracht en poëzie dan Argerich.
Wat ik hierboven beschrijf, is overigens ook van toepassing op aspirant vocalisten, violisten, en zo verder…
Wat voor toekomst hebben (aspirant) musici en muzikanten dan wel? Welke passende verwachtingen en doelen kan het onderwijs en de maatschappij anno 2013 wél stellen aan diegenen die het muziekvak in willen?
Neem nu als voorbeeld André Previn. André Previn is niet de grootst levende pianist, hij is niet de grootst levende dirigent en is ook niet in het bezit van de grootste muzikale prijzenkast. Eveneens schrijft niet de meest inspirerende of controversiële filmmuziek. André Previn is eigenlijk in niets de grootste, wat hij waarschijnlijk ook zal erkennen – hij staat eigenlijk heel nuchter en met beide benen op de grond.
Maar wat is hij wél? Hij is veelzijdig!
In de wereld van muziek is de algemene gedachte: “Je kunt beter je mond houden en niets zeggen dan het tonen van je veelzijdigheid.” André Previn is een bewonderenswaardig klassiek pianist, maar daarnaast een begenadigd jazzpianist. Hij schrijft composities in alle genres : vocaal, opera, (solo-) concerten, filmmuziek, ballet- en kamermuziek en daarnaast een graag geziene vakbekwame dirigent. Tijdens zijn studie heeft hij altijd al die brede muzikale interesse getoond in het omarmen van de muzikaal gangbare fictieve uitersten Mozart en Art Tatum, de Weense klassieken en Amerikaanse filmmuziek. André Previn is nu de 80-jarige leeftijd gepasseerd en speelt nog steeds in de New York supper club met zijn jazz trio, hij geeft masterclass orkest directie en hij schrijft nog altijd nieuwe composities.
Beste musici en muzikanten, mijn oproep aan u is: kom zo nu en dan en vooral vaker uit uw studie “hokken”. Componeer meer (nieuwe) muziek ook al denkt u er geen talent voor te bezitten. Ga vocalisten beluisteren en begeleiden, leer een andere taal, experimenteer, improviseer, neem zangles, dirigeer een koor, een klein ensemble op school, in de kerk of in het bejaardenhuis. Volg theorielessen om het nu door eigen keuze en sturing echt te gaan begrijpen, schrijf een muzikaal blogbericht ( kuch kuch), neem initiatief in groei door te experimenteren, te creëren, te ontwikkelen..
Wees veelzijdig. Ben waardevol.
Nog een laatste duit in het zakje… tegen de conservatoria zou ik willen zeggen: China en India herbergen meer Rubinsteins in de dop dan het totale Nederlandse inwonersaantal. Mijn voorstel zou zijn? Vanaf komend jaar is het niet meer toegestaan voor het instrument piano de tweede pianosonate editie 1913 van Rachmaninoff te spelen
Nee? Laten we een slot doen op en de sleutel voorlopig opbergen betreffende alle muziek van vóór 1960. Het is welletjes geweest.
Het tweede voorstel dat ik graag aan u zou willen voorleggen: wanneer het gevoel, de eerste gedachten bij het aanhoren van een compositie na 1960 “mooi” is (lees: toegankelijk), dan is het een cliché dat teveel teruggrijpt op eerdere van vóór 1960 opgedane ervaringen, met als mogelijke valkuil dat deze compositie niet direct aanzet tot nadenken. Kortom:
GROEI – EXPERIMENTEER – CREËER – ONTWIKKEL.
Hans Braakmann ©2013
bron: wikipedia, dtopera, pianist magazine, de vooropleiding.:)
Recent Comments